Nasleep - Achtergrond

Opa Jacob

Ze zeggen wel eens dat niemand ooit verder kijkt dan zijn eigen dorp.
Als ik om me heen kijk, klopt dat ook. Maar er zijn wel mensen die grote reizen maken, uitgestrekte bewegingen over het land.
Alexander, de vader van Floris (de knecht die hier in de zomer en herfst een paar maanden heeft geholpen), heeft ongeveer alle hoeken van het rijk gezien; hij komt helemaal uit het noordwesten, moest op een gegeven moment vluchten voor een opstand nadat hij zijn halfbroer had vermoord en heeft vervolgens overal en nergens gewerkt totdat hij op Markenrode terecht kwam. Toen de pokken uitbraken, wist hij waar hij moest zijn voor nieuwe werkkrachten; hij is ook in dit dorp in Reyel geweest, en heeft familie van mijn schoonzoon meegenomen, familie van wie niet?

Ik heb ook een grote reis gemaakt, door diezelfde pokken. Zoals zovelen. Ik nam mijn dochter Kerstin mee. Ze was negen jaar. Wij waren als enigen nog over. Mijn vrouw, mijn ouders, mijn andere twee dochters en twee zoons – allemaal dood. De knechten en dienstmeisjes bleven achter, bij de familie die ze nog hadden.
We trokken weg van onze middelgrote boerderij in Wergem naar het noorden, waar de heuvels hoger en hoger werden, omdat we hadden gehoord dat het daar iets beter was. Kerstin hield mijn hand de hele dag vast, behalve als we aten of als het pad te smal was. Haar blonde haar hing los op haar rug, steeds meer in de klit. Later leerde ik er een staart in maken, een lelijke, klunzige. Gek dat ze dat zelf nog niet had geleerd, verder zo’n zelfstandig kind. Haar moeder deed dat altijd.
Onze spullen op twee karren getrokken door onze beste paarden; later, toen het pad te steil en moeilijk werd, moesten we alles overpakken op ezels. Ons vee achter ons aan; de schapen en geiten met de hond om ze bij elkaar te houden, de koeien en paarden. De varkens hadden we achter moeten laten, op één na dat we halsoverkop slachtten en inpakten; de kippen zaten in manden op de voorste kar.  

We bouwden onze boerderij opnieuw op, in bescheidener vorm, in dit dorp. We huurden nieuwe mensen in. De grond hier is nog schraler dan in het grootste deel van Wergem. Je kunt nergens diep, je stuit altijd op onverzettelijke rots. (Daar hadden we geluk met onze grond; geen zand, maar vruchtbare aarde.) Maar we maakten er wat van.
Na vier jaar heb ik Kerstin met Rutger laten trouwen. Hij was twaalf jaar ouder dan zij, vijfentwintig, en toen al een van de rijkste boeren uit de omgeving.
Ik weet nog steeds niet of ik er goed aan heb gedaan.

Ze kregen vijf prachtkinderen: Aia, Isa, Simona, Sophie, Dolf. Vier dochters, één zoon. God houdt maar matig van Rutger, lijkt het, net als de meeste mensen. (Met zijn tweede vrouw heeft hij er nu weer twee dochtertjes bij.) Toch leken ze redelijk gelukkig. Kerstin kon om bijna alles lachen; dat is een handige gave om het leven aan te kunnen, die ze heeft doorgegeven aan Dolf. En ook aan Simona, maar die lacht op de verkeerde momenten, en te weinig bedekt. Kerstin was heel goed in subtiel mensen uitlachen.

Ze stierf tien jaar geleden. De hoestziekte, de bloedspuwziekte. Daar helpt rijk zijn niet tegen, al kun je de dood met goed eten en een warm vuur wel even op afstand houden.
Ze verdiende misschien meer. Maar voor meisjes is er niet veel meer in deze wereld. Ik droom graag van een betere, maar in het dagelijks leven heb ik realistisch moeten zijn. Mijn principes, mijn trots moeten inslikken. De tweede grote brok kwam een jaar geleden na dat ongeluk. Toen moest ik me toch echt gewonnen geven en bij Rutger intrekken. De jaren daarvoor bleef ik het maar zelf proberen, mijn protesterende rug en versleten gewrichten negeren. Ik moest in een ravijn storten om mijn eigen plek eindelijk los te laten. Ik had geen eigen zoons meer om me op te vangen, en van personeel kun je zoiets niet vragen. Ik ben nooit opnieuw getrouwd – ik voelde me te oud om echt zó helemaal opnieuw te beginnen, al was ik pas in de dertig in het jaar van de pokken.

Het is belangrijk om gezien te hebben hoe het er ergens anders aan toe gaat, denk ik. Iedereen zou ooit in zijn leven moeten reizen. Maar als ik er zo op terugkijk, gaan mensen pas op reis als ze moeten. Niet anders kunnen. Dat geldt voor Alexander. Dat geldt voor Kerstin en mij. Dat geldt voor Floris; hij is nu weer verder aan het zoeken naar zijn vader, maar pas nadat het misliep met dat meisje.
Dat geldt voor mijn kleindochter Simona – ik wou dat ze terugkwam, dat ze nooit weg had hoeven gaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.