Nasleep - Achtergrond

Meyen (15 jaar)

Floris. Neef!
Ik moet met je praten. Normaal praat ik bijna elke dag met je. Dat kan nu niet, dus ik doe het maar in mijn hoofd. Ik heb je nodig. Ik word gek hier.

Wat ik denk als ik aan Alexander terugdenk: Brrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr.
Wat moet je van hem, Floor? Waar ben je nou mee bezig?

We waren zeven toen vrouwe Jorinde hem wegstuurde, jij en ik. Ik had nachtmerries van hem. Jij ook, dat weet ik nog van als je bij ons kwam logeren. (We konden nooit bij jullie slapen, waarom, dat wist jij ook niet. Mijn ouders waren en zijn er ook niet happig op, logés, maar als je je eigen eten meenam –) Je moest vaak huilen, ’s nachts, maar ook overdag. Heel hard, meneer, harder dan ik.
Zeker in dat laatste jaar. Je huilde als je klappen kreeg, als anderen klappen kregen, maar vooral om de klappen die je zus kreeg. Die haar dood werden dat jaar. Ik huilde mee om Anne. Ik huil nog steeds soms om haar, en dat zegt wat, want ik huil nooit. Mijn lieve gestoorde grote nicht.
We denken aan haar, Floor.
Denk jij ook soms aan mijn broer? Ik weet dat dat minder erg is, hij was ziek, maar – is het minder erg?

Ik snap wel dat je je eigen vader beter wilt leren kennen.
Weet je, wij wisten altijd al dat Alexander jullie vader is. Mijn zussen, broer en ik. Tenminste, sinds we oud genoeg zijn om het te snappen. De meeste kleintjes – Wende, Bruno, Arian, Carl, Ivo – ook inmiddels wel. Iedereen had en heeft het erover. Het kan toch bijna niet dat jij en de tweeling (en Anne) het niet wisten? Toch was het zo, blijkbaar. Dat snap ik ook. Dat je je oren daarvoor sluit, jarenlang, je hele leven lang.
Wij mochten ook niks tegen jullie zeggen. Vooral ma was sowieso gebeten op elk woord over Alexander. We hadden al meer dan genoeg met de opzichter te maken, zei ze, elke dag in de velden, het bracht ongeluk om hem met ons gepraat ook nog in huis te halen.
Ze doet nog steeds heel raar en gespannen als het over hem gaat. Daar is iets mee. Daar zit meer achter.
Maar wel jouw moeder, haar zus, uitmaken voor alles wat lelijk is, samen met pa. (Pa is nog erger.) Vuile slet, heks, duivelshoer, goedkope verraadster, verwaand kreng, voelt zich te goed voor ons. Kinderen gaan dat nadoen, wat dachten ze dan? Spugen, steentjes keilen.

Het zijn een stelletje sukkels, mijn ouders. Hebben niet door dat ze niet meer hoeven te overleven.
Ik bedoel, het is moeilijk om niet arm te zijn als je tien kinderen hebt. Maar er is nu meer eten. Er is geen zweep, nooit meer.
Toch schieten ze nog steeds in die kramp, reageren zoals toen – het is niet eens reageren, vaak ben je nog niet uitgepraat of kijken ze niet eens naar wat jij doet. Het is direct: Dat kan niet. Dat hoort niet. Dat mag niet. Hou je kop. Dat zit zo-en-zo. Dat is Gods wil. Dat is een straf van God. Of een klap, een schop.
Die riedel tegen Marthe zit er net zo in.
Ik heb met ze te doen, soms, vaak. Ze komen er niet meer uit. Ze gaan gewoon zo dood, over niet al te lange tijd.

Ik ben ook boos op ze. Soms, meestal.
Ze hebben me verkocht. Net als mijn zussen. Ze gaven me een klein geitje mee, twee kippen en wat graan om te zaaien. Een flutbruidsschat voor het vijfde flutkind van een fluthorige. Meer voor de vorm.
Ik ben weer zwanger. Dat weet je wel, dat was ik net toen jij wegging. Ik wil niet zwanger zijn. Ik wil geen derde kind, geen vierde, geen achtste en geen dertiende.
Ik ben een melkkoe.
Ik weet dat het ook was om ons te beschermen. Mannen hier zijn niet veilig, zeker niet in de tijd van Lena’s verloving, toen de opzichter er nog was (hoewel toen ook al niemand ons vertelde waarom).
Ik besef dat het veel erger had gekund (zie jouw moeder. Al die mensen die totaal negeren wat een pijn zij moet hebben gehad, ik snap het niet).
Maar ze wilden ook van ons af. Aan dochters heb je niks, ze vreten alleen maar kostbaar eten.
Ik was twaalf; wij waren twaalf, tweelingbroer. Drie jaar geleden. Ik moest met Gerald trouwen vlak nadat Alwin was overleden aan die ene koortsaanval. Mijn eigen broer, broer. Hij was dertien.
Ik moest bij mijn schoonmoeder gaan wonen, die slecht loopt, en voor twee lopen.

Terwijl jij verliefd in de ogen van Eli kon staren, moest ik met die vent van mij naar bed en eigenlijk zo snel mogelijk een zoon krijgen. Terwijl ik niet het flauwste benul had wat dat inhield. Naar bed gaan? Slapen met? Een soort logeerpartijtje, net als met mijn vriendinnen, met jou ooit?
Ik neem jou niks kwalijk, maar – stond je daar toen wel eens bij stil? Denk je daar nu ooit over na?
Ik heb al twee gezonde zoons gekregen.
Lena zei alleen maar: Het komt wel goed, Mey. Je moet er even doorheen en daarna heb je baby’s. En ze sloeg haar armen om me heen. Bedankt, zus.
Maud was gedetailleerder. Hij moet alleen maar zijn ding in je stoppen. Zij was veertien toen, en net getrouwd met Hugo.
Welk ding? Waarin?
Ze moest alleen maar heel erg giechelen, maar heeft het uiteindelijk wel uitgelegd. Ik heb nooit begrepen wat er zo grappig aan was. Ik vind er helemaal niks lolligs aan.
Het ging heel zachtjes en stiekem, dat vertellen en giechelen, want nette meisjes praten niet over dat soort dingen. We willen toch niet onze tante achterna?
Ze zijn zo hypocriet. Ma vuilbekt aan één stuk door, en mannen al helemaal, soldaten al helemáál. Iedereen roddelt constant met smaak over wat er in bed gebeurt, en dan vooral over wat anderen doen en niet horen te doen. Maar het is niet de bedoeling dat de ongetrouwde dochters daar wat van meekrijgen, laat staan van leren, laat staan meepraten.
Ik vind dat ik moet proberen lieve Nona, Wende en Arian beter voor te bereiden. Voor Noni is het bijna zover (o, waarom ben jij er nou niet voor de bruiloft? Je hebt nog een paar maanden om er wél bij te zijn). Wende is al tien en groeit hard, alweer een vingerkootje in de maand dat jij weg bent, en pa en ma zijn al aan het zoeken.

Ik zou het helemaal niet erg vinden om op Marthe te lijken (de vergelijking slaat ook nergens op, Marthe is juist de laatste die aan dat geroddel mee zou doen, ik heb haar zelfs nog nooit een smerig woord horen gebruiken). Maar ik vrees dat ik op mijn moeder lijk. We zijn allebei stug. We zijn allebei vaak chagrijnig en reageren dat af in plaats van het binnen te houden. Veel dingen komen een stuk rottiger onze strot uit dan we bedoelen. Het lukt meestal niet de boodschap in te kleden, en vaak hebben we daar ook geen zin in. Terwijl Marthe zo op haar woorden let, zoveel moeite doet om anderen niet te kwetsen dat ze zichzelf helemaal vergeet, zichzelf er soms mee kwetst.
Mijn ouders zijn meer pa en ma (en Alwin en Rianna) dan papa en mama. Jouw moeder is echt een mama of een mam. Ik wil ook een mama zijn.
Jouw pa is geen pa. Hij is niks – behalve een moordenaar (weet je nog dat klapspelletje, Mijn vader is een moordenaar, moordenaar, moordenaar – stop, het spijt me). Wat wil je toch van hem?

Soms zit ik met Gustav op schoot en zeg ik zachtjes tegen hem: Papa is een niksnut, hè? Papa is een sukkel. Steek je tong maar uit naar papa. Toe maar. Goed zo. En dan doe ik het voor, ik blaas belletjes, pffffrt. Gustav kan dat heel goed, natuurlijk. Als Gerald verstoord omkijkt, zet ik grote onschuldige ogen op. Het is een dreumes. Dat is wat baby’s doen.
Jij snapt dat.
Veel meer kan ik niet, hè?

Ik zeg vaak tegen Gerald dat ik buikpijn heb. Hoofdpijn. Moe. Ik gebruik mijn zwangerschap als excuus – maar dat werkt nu nog niet, ik ben nog maar drie maanden, er is nog niks te zien. Ik kan wel zeggen dat het niet nodig is, nog minstens het komende halfjaar niet, er zit toch al een kind in? Dat zeg ik dan ook. Soms zeg ik ronduit: Rot op, ik heb geen zin. Ik wil niet, en dan krijgen we ruzie.
Jouw moeder kon niet zeggen dat ze buikpijn had. Zij had vast veel vaker buikpijn. Echte buikpijn. Overal pijn. (Echt? Nee, nep. O, ik mis je, man, ik mis je flauwigheid.)

Ik ben ook doodmoe elke dag, dat lieg ik niet. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat: die was, met zwaar nat beddengoed slepen; Gerald helpen op het land, bukken, bukken, bukken, mijn rug; hout sprokkelen; hout hakken als Gerald het te druk heeft of lui is; vuur maken; koken; brood bakken; opruimen; slepen met water; afwassen; weven, spinnen, naaien, verstellen, schrale handen. En alles met één of twee kinderen aan me hangen, als ik ze bij niemand kwijt kan.
Het idee dat dit nog vijfentwintig, dertig, veertig jaar moet.
Om dat door te slikken, daar heb ik jou bij nodig voor wat leuk in mijn dag. Gewoon een beetje ouwehoeren zoals altijd, meer niet.

Heel soms vang ik glimpen Alexander in jou op. Daar doe ik niet mijn best voor, ik probeer het weg te drukken, dus als ik het zie, ziet iedereen het. Als je zucht en tegen iemand zegt: Voor de achtenvijftigduizendste keer. … Maar bij jou zit er ergens altijd een lach achter, een lach die maakt dat je mee gaat lachen.

Ik heb je meisje gezien. Susanna. Wat zeg je? Niet je meisje? Rebecca en ik weten wel beter.
Niet best, broer. Helemaal niet best. Wat is er gebeurd? Wat heb je met haar gedaan?
Het is niks voor jou.
Je verpest het voor jezelf.
Je meisje gaat trouwen. Wat een domme geit, als je het mij vraagt. Hoeft ze niet, haar ouders dood of weg, doet ze het alsnog.
Ik ben bang dat dat jouw schuld is, vriend.

Nu heb ik helemaal geen grote broers meer hier.
Het is zo sáái. Ik vind er helemaal niks meer aan. Tuurlijk, mijn zussen zijn er nog, lieve broertjes en zusjes en lieve Redmar en Gustav, Marthe en Rosan en Becca. Kleine neefjes en nichtjes. En toch wel mijn ouders. Ik heb veel vriendinnen, maar het is niet hetzelfde. (En die zitten ook allemaal vast aan huis.)

Dus kom nu maar gewoon weer terug.
Bedankt.

-Playlist

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.