Nasleep - Achtergrond

Nasleep in de 21e eeuw – Deel 2

(Deel 2 van 4 – lees hier deel 1 , 3 en 4)

Vroeger was er nooit geld. Opeens is er geld.
Ze hadden nooit een vader. Ineens is er een vader.

Dat er niets vastligt, heeft voor- en nadelen. Ze kunnen zich allemaal op elk moment terugtrekken. Dat betekent vrijheid, maar ook nul zekerheid als er iets misgaat.
Ze zijn afhankelijk. Vertrouwen.

Alexander houdt zich aan zijn belofte. Vooralsnog. Hij betaalt.
Hij heeft dit pand gekocht en staat garant voor al Floris’ leningen.
Ik betaal alles terug, verzekert Floris telkens weer.
Dat hoeft niet. Dit is ongeveer het enige wat ik kan doen. En voor mij is het makkelijk, terwijl jij –
Maar ik wil dat het echt van mij is.
Het is van jou. Het staat op jouw naam.
Je krijgt het terug. Zodra ik genoeg verdien.
We zullen zien of je het redt. Dat heeft Alexander niet gezegd, zelfs niet in een rotbui. Zo lang heb ik niet meer.

Hij betaalt Annes studie, het collegegeld, de boeken, de laptop. Anne was, is, sceptisch. You get a car, you get a car, you get a car.
Hij was niet bij háár diploma-uitreiking, cum laude. Voor haar bachelor deze zomer wilde ze geen uitreiking.
Hij heeft haar één keer het ziekenhuis in geslagen, toen ze negen was, en een aantal keer bijna, of misschien wel echt, maar dat Marthe niet durfde te gaan.
Maar toen ze twee jaar geleden door de uiterwaarden wandelden en hun vader haar vroeg: Wat wil jij nou het liefst?, zei ze: Die boerderij daar.

Waarom ze zich heeft – hebben – laten slaan door een man die niets van hen was, alleen maar de oud-huisbaas, begrijpt Floris nog steeds niet. Waarom ze zich ooit iets van hem hebben aangetrokken. Hoe dat is gegaan in al hun hoofden – ook in dat van Alexander. Geen enkel recht.
Als je vier, vijf, acht bent, als je een kleine vrouw bent is het geen kwestie van ‘laten’. Maar een kwestie van sterker.

Door het raam ziet Floris hoe zijn zusjes van hun fietsen af stappen, hoe Rebecca haar fiets tegen de boom aan kwakt en Rosanne aarzelt, schuldig om zich heen kijkt en de hare dan ook maar laat vallen. Zij een turquoise, Rebecca een lichtroze. Hij zucht. Ze hebben ze tenminste op slot gezet, dus hij besluit er niets van te zeggen.

Hij loopt om, strekt zijn armen uit en zet Rebecca met een zwaai op de bar. Bungelende benen in een kabelmaillot, witte jurk met ruches – en tja, die jas. Haar rossige haar aan één kant ingevlochten; het golft tot aan haar middel, dat van Rosi tot haar schouders.
‘Zo! Wat wil jij drinken? Lieve meisjes krijgen gratis drankjes.’
‘Jezus, seksist,’ zegt Line, die uit het kantoortje komt. Dat is haar terrein, met haar stapels boeken, aantekeningen en rondslingerende Hema-fijnschrijvers. Ze zet haar theepot onder de heetwaterkraan van het koffieapparaat.
Line mag altijd achter de bar. Je wordt wel een beetje een opaatje soms, hoor, zei ze laatst. Een zeurpietje precies. Dit mag niet en dat mag niet, dit moet zus en dat moet zo.
Ik heb het niet van een vreemde, zei Floris. Vreemde.
Moet zij zeggen. In haar hoofd is vaak ook maar één weg, net als in dat van zijn grote zus.
‘Wat nou? Jongens en chagrijnige meisjes en ouwe mannetjes en smurfen en eenhoorns en orks en aliens krijgen ook gratis drankjes.’
‘Daarom gaan we ook failliet, ja,’ mompelt Line. Ze heeft er een schurfthekel aan als hij haar zijn vriendinnetje noemt, maar hij vindt het lief klinken. In bed, met zijn armen stijf om haar heen, vlak voor ze in slaap vallen, gefluisterd: Lief vriendinnetje. Nog erger. Floris trekt haar van achteren tegen zich aan, handen om haar heupen, tilt haar op als bij een lift in een dans. Ze is klein, maar ja, iedereen is klein, niemand is klein. Zoen in haar nek. Haar huid ruikt lekker, aards. ‘Ben je bijna klaar?’
‘Nee.’ Geïrriteerd, maar voor ze zich loswurmt kust ze hem terug, een kus die meer belooft, vanavond laat. Ze wonen boven. ‘Ik ben voor jou bezig, ja? En daarna moet ik nog voor mezelf bezig.’ Haar nerdstudie. Biomedische technologie. Ze is nog zeventien, maar heeft een klas overgeslagen. Ze kijkt opzij, weer op haar voeten. ‘Hallo, Alex.’
‘De heldin van de getallen,’ zegt Alexander.
Haar ogen draaien naar het plafond, hopeloos, allebei, het rechter net iets trager dan het linker achter haar bril. Overblijfsel van een oogziekte die te laat is behandeld toen ze klein was. Verwaarloosd. Line heeft ook een verleden, pleeggezinnen, nare pleeggezinnen. Ze kon daar niet snel genoeg weg.
Maar het is waar. Floris kan niks, maar dan ook niks met de administratie.

Hij richt zich weer op Rebecca. ‘Wat wil je hebben?’
‘Cola.’
‘Je drinkt te veel cola.’ Gast, waarom vraag je het dan? ‘Fristi kun je krijgen.’ Hij laat haar zelf een gat in de dop maken voor het rietje, met de speciale opener die daarvoor is. Een stoot voor je harses kun je krijgen. Dat zegt hij ook wel eens, maar als grap, alleen als grap.
Eitjes breken op het hoofd van de tweeling, dat doet hij ook soms, platte hand, vuist erop en dan uitsmeren door hun haar als het wit dat uitloopt – maar zachtjes. Je kent je eigen kracht niet.
Ja kijk, Floris, als jouw zusje iemand een klap of een duw geeft, dan heeft diegene een blauwe plek, zei de therapeut (trainer? Coach? Hij houdt nooit bij hoe die lui zichzelf noemen) die hij tot een jaar geleden had, een man. Als jij iemand duwt, dan heeft diegene een hersenschudding, of erger. Dat kwam niet uit de lucht vallen. Susanna, tegen de muur.
Kan iemand die open deur dichtdoen? antwoordde Floris. Het tocht hier.
De man zucht-lachte. Dat drummen lijkt me prima. Floris moest ook grijnzen. Hij mocht die vent wel.
‘Hoe is dat beter?’ vraagt Line in de deuropening.
‘Thuis drinken ze alleen maar water en thee en melk.’ Rosanne soms met een heel klein scheutje koffie.
‘En ranja.’ Rebecca knippert met haar ogen.
‘Bij papa zeker.’
‘Papa heeft nooit iets in huis.’ Hij is ook zelden thuis. Meteen kijkt ze vergoelijkend achterom naar Alexander. ‘Maar we gaan wel vaak uit eten.’
De keuken heeft altijd jerrycans limonadesiroop op voorraad, grenadine meestal. De meeste horecamensen zorgen graag, ook voor collega’s. Extra pesto op je tosti, ijs en citroentjes en tien rietjes in je drinken als je er niet blij uitziet.

‘Hoe was school?’ Floris legt zijn handen om zijn zusjes gezicht. ‘Kijk me eens aan. Ben je aardig geweest?’ Ondertussen pakt Kwame een van de twee pinautomaten naast hem weg en loopt ermee naar buiten.
Floris gaat meestal met Marthe mee naar ouderavonden. Op de laatste paar zei de meester van haar groep zeven dat Rebecca andere kinderen buitensluit, pest, de baas speelt. Dominant, was een woord dat hij gebruikte, en terroriseren.
‘Ja.’
‘Bec, ik meen het, hoor.’ Wat moeten we doen, een camera op haar jas plakken? had Floris gevraagd.
Als er echt iets is, belt de meester wel, hoopt hij. Maar de meester ziet ook niet alles.
‘Ik ook.’
Hij zucht. ‘We hebben het er nog wel over.’
Rosanne loopt juist wat achter in haar ‘ontwikkeling’, zeiden haar juffen. De tweeling zit niet bij elkaar in de klas; dat is beleid, geen familie bij elkaar.
Sociaal-emotioneel of met leren? Floris kan het jargon inmiddels dromen.
Sociaal-emotioneel.
‘Spullen bij je?’ vraagt hij.
‘Yup!’
De bedoeling is dat zijn zusjes altijd een tandenborstel, pyjama, school- en sportspullen, kleren voor in elk geval twee dagen in hun tas hebben. Voor in hun vier huizen: bij Marthe, Floris, Alexander en Anne. Hij zelf heeft dat allemaal ook gekocht, en Marthe is hun uitvalsbasis, maar je weet het nooit.

Anne duwt de klapdeur open en laat de hond voorgaan. Haar zwarte haar in een lage knot gepropt, plukken schuine pony voor de rechterkant van haar gezicht. Hoodie in een lichte kleur zeegroenblauw die niet hetzelfde is als haar ogen, maar ze wel aanvult. Ze heeft haar rubberlaarzen nog aan.
‘Ha, Kind Eén!’ zegt Alexander.
‘Hé,’ zegt Anne vlak, afgemeten. Ze ploft op haast precies dezelfde manier als hun vader neer aan de tafel het dichtst bij de keuken en de bar, hoofd op haar armen. Gereserveerd; dit is de tafel voor privégebruik, meestal. Floris zet een ice tea voor haar neer.
Kind 1, Kind 2, Kind 3.1 en 3.2. Niemand vindt het echt leuk. Zelfs Rosanne protesteerde: Ik ben een apart persoon, hoor.
Zo stond het ook op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is geanonimiseerd volgens de anonimiseringsrichtlijnen.
[Minderjarige 1], [minderjarige 2], voor de rechtbank was de tweeling wel gewoon 3 en 4. Op [geboortedatum] 2002 is [minderjarige 2] geboren.
Bovendien roept het de vraag op: Heb je niet nog meer kinderen dan? Voor ons, na ons?
In elk stadje.
Floris heeft die vraag al één keer gesteld, en vervolgvragen: Krijgen die niks? Willen die je niet zien? En hun moeders? En wij, mogen wij ze ontmoeten?
Stap voor stap. Ik probeer het eerst met jullie. Nog steeds wordt Alexanders gezicht, zijn hele houding soms een gesloten front. Muur. Grens. Afgelopen, klaar – soms hardop, soms niet hardop. En nee, willen ze niet. Voorlopig, voor zover ik weet.
Hoe weet je dat dan? dacht Floris wel, maar zei hij niet. En ook niet: Dus wij zijn de proefkonijnen?

Floris bukt en krabbelt plichtmatig de hond tussen haar oren – hij heeft niet zoveel met dieren als zijn zus, zij juist minder met mensen. Hij moet twee keer kijken, maar het is Kees. ‘Keessie!’ Geen keeshond, maar een vuilnisbakkie, net als de andere twee. Annes honden heten Kees, Klaas en Karel, maar het zijn meisjes. Zelfde verhaal voor de koeien: Jan, Piet, Joris en Corneel, die hebben baarden, dus zij varen mee. De katten heten Suzan en Freek, ook andersom. Anne haat Suzan & Freek, Floris draait hun muziek vaak expres voor haar. Blauwe dag. Dan zijn er nog schapen: Bea, Thea, Gea, Dea, Lea, Trea, en dan het rijtje weer opnieuw, 2, 3, 4, 5. De geitjes hebben geen namen, de twee paarden nog niet.

Toen Anne de honden net had, keek ze naar Alexander op. Bij haar thuis. Een hand om Kees’ halsband. Als je nu ooit nog één vinger uitsteekt –
Hun vader had kunnen gaan lachen. Ach, schatje toch. Eén trap en die hond is dood.
En ook: Wie heeft voor die hond en alles betaald?
Maar hij deed het niet. Misschien omdat Floris naast haar zat. Floris is wel even groot.
En zo is Alexander ook niet. Niet iemand die uitlacht. Dat niet.

Jij bent geen vader. Dat riep Anne op een andere avond. Half huilend. Jij bent DNA. Helaas. Een van de weinige keren dat Floris haar haar stem heeft horen verheffen.
Alexander schreeuwt ook nooit.

Floris kijkt zijn zus aan. ‘Komt Em ook nog?’
‘Ja, na de dieren.’ Em heet in haar paspoort Emmely, maar dat vindt iedereen vreselijk.
‘Iedereen komt,’ glimlacht hij voldaan. Hij is dol op Annes vriendin.

Rosanne staat ingespannen voor de jukebox naast de deur naar buiten, haar linkerhand aait afwezig de aanloopkat; Titus, naar die blauwe van Bob de Bouwer, omdat die ook streepjes heeft en een bijzonder mauwtje. Dit is wél een kater. De platen komen uit de winkel waar Casper een paar keer per week overdag staat, het is moeilijk om van de muziek te leven.
Floris heeft zijn zusjes Buurman en Buurman-rugzak laatst helemaal volgestort met muntjes.
Gooi er een muntje in, en hij lult wel.
‘Roosje,’ roept hij door het lawaai heen. Ro-san-ne, zong hij tot voor kort, op z’n Nick & Simons, tot dat echt te oud werd. Toto’s Rosanna – hoeveel mensen wel niet steeds opnieuw denken origineel te zijn. Rosh Hashana, noemt hij haar nu af en toe, naar het joodse feest. ‘Eerst even de Spotify uitzetten, hè. Anders worden we allemaal gillend gek.
Goeie,’ steekt hij zijn duim naar haar op zodra hij het kan horen. Golden Brown van The Stranglers.

De afspeellijst is een raar allegaartje. Je bent zelf een raar allegaartje. Alles met een goede beat, of in elk geval een gevoel, een ritme voor de stroom bewegingen. Als je er lekker in zit, is achter de bar staan net dansen, en bedienen net zo. Floris gooit alles erin wat hij tegenkomt. Hitjes uit de jaren nul en tien: Shakira, Coldplay, Beyoncé, Rihanna (rampapapam rampapapam; dam dam didam dam dam didamdam), de Black Eyed Peas, Gabriella Cilmi, Amy Winehouse, Lady Gaga (Ale-Alejandro). Maar ook sixties, seventies, eighties; Bowie, Iggy Pop (la la la la lalalala). Walk like an Egyptian – hij kan nog altijd niet fluiten, al is hij er nog zo het type voor. Van eigen bodem: De Jeugd van Tegenwoordig, Boudewijn de Groot, Daniël Lohues, zelfs Marco Borsato (Ik leef niet meer voor jou – zo heerlijk af en toe). Britpop, garagerock: The Strokes, Arctic Monkeys, The Kooks, The Libertines. De categorie fout: The Veronicas (tadada ta tadadada), de Hazesjes, Cascada, Kraantje Pappie, rapper Joost en rapper Donnie. Oude hiphop. Kinderliedjes en obscure vondsten uit oude tv-series. Veel The Cat Empire. Franse chansons, latin, Balkan- en Midden-Oosterse muziek.
Hij heeft nu alweer zin in de kerstplaylist, met alternatieve versies van overbekende nummers; Lonely this Christmas, maar dan door KT Tunstall, en Somewhere only we know niet van Keane maar van Lily Allen.
everything i wanted van Billie Eilish, daar gaat hij momenteel goed op – ook, vooral om de tekst –, en This girl van Kungs vs. Cookin’ on 3 Burners.
Anne heeft veel weg van Billie Eilish, vindt Floris altijd. Pikzwart haar, bleke huid, felle lichte ogen. En vooral schijt. Aan bijna alles. Wanneer verf je je haar groen? vraagt hij vaak.
Doei Finneas, zegt ze dan. Dat bevalt hem wel, de Finneas voor haar Billie zijn.
Daar moet je ook voor betalen, om muziek te mogen draaien in het openbaar. Aan Buma/Stemra. Alles gaat uiteindelijk om geld, een deprimerend idee, vindt Floris. Wen er maar aan, zei Alexander.

In de keuken staat weer andere muziek op, die je hoort als mensen in en uit lopen. Radio, meestal, waar de keukenploeg met operastemmetjes een bijdrage aan levert. Vooral Burak doet erg zijn best op de jingles.
De keuken is het gezelligst, dat is in elke zaak zo.
Het keukenteam: naast Susanna en Burak nog Mahmoud, Carolijn, Nazli, Wen, Hajo, Vera, Igor, Yasmin; en Sjoerd, Lieke, Kaylee en Gijs van de afwas.
Studenten, koks in opleiding, ervaren krachten. Uit China, Turkije, Libanon, Venezuela, Montenegro, Kampen, Budel en Heerenveen. Pas vijftien of met kinderen en zelfs al kleinkinderen die ook soms hier rondlopen. Net als in de bediening wilde Floris een gevarieerde groep, in leeftijd, gender, achtergrond, maar dit zijn vooral de mensen die gesolliciteerd hebben, die geschikt en aardig zijn.
Identiteit is, althans voor Floris, niet op te hangen aan één kenmerk, een nationaliteit, kleur, schoolniveau, godsdienst. Hij snapt het diversiteitsdebat heel goed, er moet nog van alles veranderen, maar in zijn ogen is de ene persoon altijd al totaal anders dan de andere, ook de ene oude witte man dan de andere oude witte man. Iedereen is een combinatie van zo veel verschillende dingen, een unieke streepjescode van eigenschappen uit DNA, opvoeding, omgeving, ervaringen. En het hangt ook nog eens af van de context, in elk gezelschap pas je je weer aan, heb je een andere rol.
Yasmin Ali: Afghaans, strakke hoofddoek, vrouw, maar ook Ajaxliefhebber, negenendertig, bang voor tikkende verwarmingen in het donker, gescheiden moeder van twee, kan wel wiskunde, ochtendhumeur.
Hajo Zandstra: zevenenvijftig, dakloos geweest, drugsverleden, tatoeages, bruine ogen, maar ook bi, lust geen pindakaas, GroenLinks-stemmer, vergeetachtig.
En al die kenmerken en factoren beïnvloeden elkaar over en weer, waardoor soms niet meer te achterhalen is hoe het komt dat je bent zoals je bent. Is Marthes vriendin Maria de pabo gaan doen omdat ze vrouw is en vroeger alle meisjes juf wilden worden (en moeder), omdat allebei haar ouders in het onderwijs zaten, omdat ze het zelf leuk vond of allemaal, of om nog andere redenen? En had ze het ook leuk gevonden als haar ouders geen leraar waren geweest?

Daarom vindt Floris Wie ben jij? zo’n moeilijke vraag. Er is geen kort antwoord.
Daarom krijg je een naam, die alles moet omvatten.
Wie is Floris? Wie is Alexander? Wie is deze vent? moet vooral de tweeling in het begin gedacht hebben.
(Hoe is het met Floris? Ze hadden een casemanager die in dat soort popi-jopitaal praatte, en dan moest hij denken aan juf Karin van groep vijf: Persoonsvormen zijn niet voor niks uitgevonden. Ik, jij, wij. Marthe heeft zichzelf gelukkig altijd ik genoemd. Mama is even bezig – brrr. Zelf heeft Floris nog wel eens last van de we-ziekte, Doen we niet als hij ik bedoelt, maar dat probeert zijn vriendin hem ook af te leren.)

‘Ik wil Lizzo,’ zegt Rebecca – ik wil, ik wil, ik wil –en zet het computergeluid weer aan. Good as hell. Rosanne doet niet eens moeite om beteuterd te kijken. Haar zus heeft tenminste gewacht tot het nummer was afgelopen. Ze gaat naast Anne zitten en pakt haar potloden.
‘Kom je de slagroom bij de chocomellen doen, Roos?’ vraagt Floris. ‘En de taart en de kopjes en de schoteltjes en de koekjes?’
Ze tikt tegen een denkbeeldige pet. ‘A je to, buur!’
De koekjes hebben de vorm van vogeltjes, olifanten, hartjes; uitsteekvormpjes. Zandkoekjes zoals ze ze altijd hebben gemaakt, in Marthes oven. Zandkoekjes kosten niks, dat kan er altijd wel af, net als pannenkoeken. Anne lust geen pannenkoeken meer.
Nu komen de koekjes soms uit de keuken als er tijd is, soms nog steeds van Marthe en de tweeling.
‘Warme chocomel?’ Alexander fronst. ‘Nu?’
‘Je hebt ze ertussen zitten,’ zegt Floris, terwijl hij zijn vaders glas opnieuw vult. Chocomelmensen, Rivellamensen. ‘En straks gaan mensen eten en dan willen ze toetjes en koffie en limoncello.’
‘Heb je dat lied van je moeder?’ vraagt hun vader aan Rebecca. Anne en Floris moeten het even verwerken, werpen hem dan de Niet. Oké. Pa-blik toe. Niet. Gepast. Grens. Alexander kijkt niet op of om. Hij ziet het echt niet in soms. Of het kan hem niet genoeg schelen, Floris begrijpt niet hoe het werkt in dat hoofd. Misschien moeten ze een codewoord afspreken.

‘Nee, van mij,’ zegt Susanna, blijft dan abrupt staan, de keukendeur klapt achter haar terug. ‘O.’ Ze heeft het, heel zacht uitgedrukt, niet op Alexander.
Wie wel?
Haar vader is ooit naar de Huurcommissie gestapt. Had hij beter niet kunnen doen.
Heeft ze Alexanders stem niet herkend? Zoveel lijkt die van Floris er toch niet op? En hij zou nooit je moeder zeggen.
Ze herstelt zich snel. ‘Zullen we even, Bec? Vijf-zes-zeven-én.’
Rebecca staat meteen naast haar, in positie. Ze wilde ook moderne dans doen, maar moest daarvoor óf klassiek ballet, óf jazz laten varen; het werd klassiek. Je mag geen drie dingen, Becca. Dat wordt te gek. Er zijn grenzen.
O, zijn die er, Alexander?
Nee verkopen doet hij niet bij de tweeling, meestal, en dan soms ineens wel keihard. Voorlezen doet hij ook niet, dat hebben Floris en Marthe altijd gedaan. Tommie en Lotje, Wouter en Mieke. Nu nog steeds, als ze ziek of verdrietig zijn. De boze heks is weer bezig van Hanna Kraan, Tonke Dragts Verhalen van de tweelingbroers. Verder lezen ze steeds vaker zelf.
Susanna geeft een paar avonden dansles, maar niet aan Rebecca’s groepen. Floris voelt nog steeds een steek als hij haar haar armen naar beide kanten ziet strekken, haar geconcentreerde gezicht. Maar hij heeft het zelf verkloot.
Ze hebben het uitgepraat, heel veel gepraat, ze wilde hier alsnog komen werken, samen, graag, maar dat maakt het niet weg.
Ze kijkt hem aan. ‘Ik kwam alleen maar even kijken hoeveel –’

‘Zes of zeven, dus.’ Hij kijkt naar de rest. ‘Pasta van de dag? – Nee, geintje, al zeiden jullie nee.
Wacht even, Suus.’ Floris pakt de telefoon, een echte donkerbruine vaste met een gekruld snoer en een draaischijf. Het nummer dat hij het langst uit zijn hoofd kent. Alexanders nummer zou hij niet weten als zijn mobiel leeg is.
‘Met Marthe?’ Hij moet grijnzen om mensen uit de vorige eeuw, dat die nooit kijken wie belt. Zelfs Marthe niet. Ze klinkt zoals ze tegen vreemden klinkt, zacht, maar op haar hoede. Niet genoeg.
‘Moeders! Hallo.’ Hij ziet haar vergrendelscherm voor zich, een foto van afgelopen zomer, hun eerste vakantie met zijn vijven. Bretagne. Ik wil een foto gemaakt door een mannetje in een Bretonse trui, had Marthe gezegd. Bonuspunten voor de muts. Ze konden nooit op vakantie, schoolreisjes waren ook altijd ingewikkeld, maar meestal legden de leraren uiteindelijk wat bij elkaar, of toch de gemeente. Romereis, uitwisseling. De profielwerkstukprijs was geld, maar Floris heeft glazen betaald van zijn deel, geen examenreis. Hij ging wel naar Best Kept Secret, ze gaan altijd naar Best Kept Secret.
Alexander kan nooit zomaar met de tweeling naar het buitenland. Dat heet dan ontvoering. Of naar de dokter. Hun dossier inzien, iets over hen bespreken met de psycholoog. Ouderlijk gezag.
‘Hé, hoe laat ben jij er?’ vraagt hij.
‘Is hij daar?’
‘Ja, ik heb hem toch gevraagd.’
Marthe is bijna klaar met haar avondstudie maatschappelijk werk. Ze werkt al deeltijd als ervaringsdeskundige bij Slachtofferhulp. Hij glimlacht weer als hij haar in gedachten aan de keukentafel ziet zitten, voorhoofd in haar hand, rimpel tussen haar fijne wenkbrauwen, zwart haar dat voor haar leesbril valt.
Moet je dat nou wel doen? vroeg Maria, vroeg Jonne, vroegen haar collega’s. Er zo mee bezig blijven? Hoe kom je er dan ooit van af?
‘Jullie moeten toch op een gegeven moment met elkaar in één ruimte kunnen zijn. Met heel veel andere mensen erbij.’ Anne trekt wild gezichten en maakt gebaren. Floris bijt op zijn lip. ‘Sorry.
Sorry, mam.
Ik – ik wil gewoon zo graag.’
Lange stilte.
‘Dat snap ik, schat.’
Hij slikt. ‘Goed, ik werk hem wel de deur uit.’ Ze wil geen tweede diploma-uitreiking. ‘Maar eet je wel – met mensen?’
‘Met Jonne en Simon en de kinderen.’
‘Ah, de achterblijvers,’ begrijpt Floris. Maria en Casper moeten repeteren. ‘Oké, tot straks dan, lekker eten. Ik zie jullie wel verschijnen.’ Bij iemand anders zouden die woorden misschien bot geklonken hebben, maar niet hoe Floris ze nu zegt.
‘Tot straks, lieverd. Ik ben heel trots op je.’

‘Het mag niet eens,’ zegt Anne als hij heeft opgehangen. Anne van de regels zijn regels, Anne van het zwart en wit. Soms lijkt het alsof ze iets voor zichzelf even hardop moet zeggen – voor hem is het in elk geval niet nodig. Nee, ze denkt niet zwart-wit, ze wíl zwart-wit denken, maar de praktijk.
Floris probeert juist steeds maar weer de zwarte kamer wit te verven. Wordt ook op z’n best grijs, natuurlijk.
Waarom is wit eigenlijk goed en zwart slecht?
Ja. Duh. Contactverbod.
Floris gaat aan tafel zitten.

… Wordt vervolgd!

Musica


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.