Nasleep - Achtergrond

Flashback – December, 18/19 jaar voor het ‘nu’ (Jonne 18 jaar, Marthe 13 jaar)

‘En ik word gek van Dietrik,’ zeg ik onder het teruglopen, einde van de dag. Marthes grote donkere ogen klampen zich aan mij vast. Het is duidelijk dat ze naar mij wil kijken en niet naar de mensen die in stromen langs ons heen, voor, achter en naast ons in sneller of langzamer tempo naar huis gaan. Het heeft geregend en geijzeld. Op dit pad waar alles gebeurt, de lijn van het bos door het dorp naar de burcht. We zijn klaar voor vandaag. De laatste karren geraapt en gehakt brandhout rijden naar het kasteel. De opzichter is al weg. Alexander.

‘Ik bedoel, ik loop ongeveer hier met zo’n zak voer,’ vervolg ik. ‘Zó groot. En hij zit daar aan de overkant God weet wat te doen. Geen reet, waarschijnlijk. Wachten of zoiets.
En hij kijkt het een hele tijd aan en zegt dan: Die is wel zwaar, of niet?
En toen? Toen niks. Niet even opstaan en helpen. Alleen maar heel uitgebreid zitten kijken hoe ik langsloop. Huh? Alsjeblieft dankjewel?’

Ik zie hoe Marthe probeert te blijven luisteren, met één hand op haar gegroeide buik om hem stil te houden. Haar hoofd is ergens anders nu, ik zie het. Op plekken waar je niet dood gevonden wilt worden. Maar ik zou een moord doen om met haar mee te kunnen. Te zien wat zij ziet. Voelt. Het te begrijpen.

De mensen die naar die buik kijken, elkaar aanstoten en fluisteren. Ze is zwanger. Zeven maanden. Maar blijkbaar is het nieuwe er nog steeds niet af voor onze lieve dorpsgenoten.
Dertien en zwanger – daar is niks raars aan. We trouwen jong, op Markenrode en in dit hele rijk. Het leven is kort.
Dertien en zwanger en ongetrouwd, dat is een ander verhaal.
Al bijna negentien en nog geen man, dat kan ook niet. Ik ben oud.
Ja, we zijn een mooi stel. Ik sla mijn arm om Marth heen, ik moet een beetje bukken, al ben ik zelf ook zeker niet lang. Alexander, die is lang. Ik scherm haar af. Dat is mijn taak.
(Maar. Ik faal jammerlijk. Wij allemaal. Maria, Simon, Casper en ik.)
Ik kijk terug, recht in al die gezichten. Ja? Had je wat?
En ik negeer ze weer. Ik praat verder. Om haar af te leiden, om mezelf af te leiden, omdat ik het kwijt moet.

‘En dat gefluit en die geluiden achter iedereens rug om de hele tijd,’ ga ik door. ‘Wat ben ik, iemands kat? Mensen denken ook rare geluiden te kunnen maken naar andermans dieren en baby’s, toch? Gaan ze met jouw kind ook doen, let maar op.’ Ik bijt op mijn tong. Ik wil niet weten wat ze gaan doen met haar baby.
Kinderen krijgen de naam van de vader bij ons. Casparszoon, Martensdochter. Dat ben ik, Jonne Martensdochter.
Dit kind gaat haar mama noemen. Haar, Marthe, dit piepkleine meisje. Het is zo’n bizar idee.
Ze wordt een fantastische moeder, daar niet van.
‘En die jochies die er een beroep van maken om in de weg te gaan staan. Gewoon hoezo? Gewoon nee.
Ik snap het allemaal niet meer. Wáárom zou je zoveel moeite doen, alleen maar om iemand te irriteren? Waarom?’
‘Misschien om dit in je op te roepen,’ zegt Marthe. ‘Het is best onderhoudend.’

Ze doet alsof er niks aan de hand is. Alsof alles nog net als vorig jaar is.
Toen was er ook van alles aan de hand. Al vijf jaar lang. Kou. Honger. Werk. Zweep. Niets is normaal sinds Alexander ons naar Markenrode heeft gesleurd. Weg van huis, weg van onze families.
Maar niet dit.
Ze blijft haar onderkoelde commentaar afleveren. Om ons niet tot last te zijn en om zichzelf bij elkaar te houden. Het is lief en dapper en hemeltergend.
Ik erger me snel. Dat heb ik gemeen met de opzichter.
Maar prima, dan doe ik ook alsof. Dan vraag ik ook niets meer. Het heeft toch geen zin. Ik gooi mijn hoofd in mijn nek. ‘O, ik heb hier echt te veel honger voor.’

Ik hoor dat iemand met versnellende stappen steeds dichter achter ons komt lopen. Een moment later haalt Falko ons half in en grijpt schuin van achteren mijn elleboog vast, houdt me tegen. Ik draai me om en kijkt naar hem op. Mijn lage paardenstaart volgt nauwelijks, blijft een beetje vet op mijn rug liggen. Ik wacht meestal een dag te lang met wassen, een week te lang met knippen. Mijn haar boeit me niet, dat is mijn minste zorg. Ik kan er best mee door. Ze doen het er maar mee.

Falko is bijna kaal. Donkere stoppels, regelmatig scheermes over zijn hoofdhuid. Hij komt uit Markenrode. Hij heeft de pokken overleefd. Misschien wil hij met iemand praten die hij niet al zijn hele leven kent.
Hij heeft een zwart-witte hond die haast nooit gehoorzaamt als Falko hem thuislaat en die hij dus steeds maar meeneemt en op zijn vingers naar zich toe fluit.
Alexander fluit ook hard op zijn vingers als hij iets duidelijk wil maken aan de overkant van een veld. Gevolgd door gebaren, hoofdschudden of knik in een bepaalde richting, kruisen van armen, wijzen, een vingerknip.
Als hij jou bedoelt, knik je, probeer je met samengeknepen ogen te ontcijferen en kom je in beweging.
Marthe draait zich steeds lam van schrik om als ze dat gefluit hoort, valt me op. Ze ademt pas trillend uit als ze ziet dat het iemand anders is. De opzichter slaat haar vaak dit jaar. Misschien daarom.

Falko heeft tot nog toe nooit bijzondere aandacht aan mij besteed. Ik ook niet aan hem.
Ik sta stil met zijn hand om mijn opgeheven arm. Ja?
‘Trouw met me,’ zegt hij, terloops en misschien zelfs verveeld.
Ik barst in lachen uit. Ik kan er niks aan doen.
‘Ik meen het,’ zegt hij haperend. ‘Je moet met me trouwen. Ik wil bij je zijn. Bij jou.’
‘Zei hij terwijl hij vol overgave in haar jurk keek.’ In de blik die ik van Falko naar Marthe laat gaan zit absoluut geen lach meer.
Ja, haar versleten jurk sluit te strak aan op haar perfecte borsten. Maar dat doet ze niet expres. Aandacht is het laatste wat ze wil, dat weet ik ook wel. Ze slaat haar mantel strakker om en probeert onderdeel te worden van een gevel in de huizenrij achter haar. Ze stapt achteruit tot haar hakken bijna het pleisterwerk raken. Er zit opgespatte modder op het wit, er staat een hark naast haar tegen de muur.

‘Dat is niet waar,’ stamelt Falko.
Ik haal mijn schouders op en blijf hem afwachtend aankijken.
‘Wat?’ Hij beweegt zijn kin naar zijn borst. ‘Ja, here Jezus, wil je nou echt dat ik –’
‘Man, ik wil helemaal niks,’ zeg ik moe. ‘Jij begint hiermee. Maak het dan ook –’
Maar Falko zit al geknield. Op één knie. ‘Leuke, bijzondere Jonne.’ Hij kijkt naar me op. Ik voel bijna een glimlach doorbreken. Bijna. ‘Wil je met me trouwen?’
Hij schraapt zijn keel. ‘En kun je een beetje snel beslissen?
Overmorgen is een zaterdag. Goede trouwdag. En ik krijg de hele tijd vragen van mensen waarom ik op mijn vijfentwintigste nog niet, ik zeg het er maar eerlijk bij, en – Het wordt gewoon tijd.’ Gedempt: ‘Nu ook, trouwens. Er staan al mensen naar ons te kijken.
Zo lastig is het toch ook weer niet. Jonne.’

Het bliksemt en dondert in mijn hoofd. ‘Nee! Niets lastigs aan!
Nee, nee, nee!’ Ik deins van hem weg, til ruw mijn armen op en laat ze even snel weer vallen. ‘Ik trouw niet met jou!’ hoor ik mezelf schreeuwen, ik word doof van mijn eigen stem. Falko staat op. ‘Wat denk je nou?
Dat ik bij je in huis ga wonen en jouw vloer ga vegen en – je kinderen ga krijgen terwijl jij zelfs nu, dit afgelopen kwartier, niet eens de moeite neemt om alleen naar mij te kijken? Om geïnteresseerd te doen?
Omdat je je ogen niet van haar af kan houden?
Kijk niet zo. In Christusnaam. Laat haar met rust.’ Ik wissel een blik met Marthe, mime gaat het? en sla mijn ogen neer als Marthe knikt.
‘Het is mijn Marthe, hè. Een van mijn twee beste vriendinnen, mijn grote liefdes? Is daar iets van blijven hangen?’ Marthe en Maria. Ik ben hun zus geworden in de vijf jaar dat ik hier woon. Marthes eigen zus is een trut die haar in de steek heeft gelaten. Sindsdien voel ik me verantwoordelijk voor dit kind. Ik heb twee zusjes en twee broertjes, misschien inmiddels meer, op Raamsburgh, het landgoed maar een paar mijl naar het noorden. Maar ik kan daar niet meer heen. We zitten vast hier. Ik was de oudste, als enige oud genoeg om op Markenrode te kunnen werken.

‘En dertien, hè? Falko.’ Ik sper mijn ogen wijd open. Mijn kleine zusje. ‘Iedereen moet haar eindelijk een keer met rust laten.’
‘Het gaat vanzelf.’ Falko kijkt om zich heen, zijn vingers grijpen in en uit elkaar, hij legt een hand om zijn pols en strekt zijn armen weer langs zijn lichaam. ‘Goed, ik geef het toe.
Marthe, je bent te mooi en – eh. Ik weet niet goed hoe ik in je buurt moet zijn.’ Ja, ze is zo mooi dat het pijn doet aan je ogen. ‘Maar Jon, dat staat hier los van. Dat betekent niet –’
‘Hou je bek, verdomme!’ gil ik schor. Klap in zijn gezicht. ‘Kijk naar haar. Kijk dan.’
Alles stort er altijd uit bij mij, ongecontroleerd. Ik heb er spijt van. Ik wil niet over haar praten, ik heb er zelf ook een schijthekel aan als mensen over mij praten waar ik bij ben.
Marthe verroert zich niet. Ze is dunner geworden, zodat haar buik nog verder uitsteekt en haar benen af en toe onder haar vandaan zwikken. Haar normaal crèmekleurige huid schijnt door. Bloeduitstorting op haar rechterwang. Striem die onder haar kin haar nek in loopt. Haar ogen zijn gaten. Haar zachte zwarte haar valt los om haar gezicht, vandaag.
‘Wat wil je nou?’ snauwt Falko. ‘Eerst mag ik niet naar haar kijken, en nu zet je me ongeveer het mes op de keel om –’
‘Kijk hoe ze eruitziet!’ schreeuw ik door hem heen. ‘Ik kan. Niet. Trouwen met iemand die haar dit misschien aangedaan heeft.
Snap dat dan.’

Falko zucht. ‘Jonne,’ zegt hij zachtjes. ‘Geloof je dat echt?
Ik heb nooit ook maar met één vinger –’
‘Maar dat weet ik toch nooit zeker!’ zeg ik net zo zacht. Dan kijk ik weer met een ruk naar hem op. ‘Hoe weet ik dat nou? Bewijs jij het?
Dat jij of elke andere man naast wie ik werk of slaap niet ook naast Marthe heeft gelegen? En ervoor kiest niet de vader van deze baby te zijn?
Het idee dat iemand – dat jij – dit van haar heeft gemaakt.
Ik kan jullie allemaal niet in de ogen kijken. Ik word misselijk van jullie.
Het is niet eens persoonlijk bedoeld, Falk. Ik trouw gewoon helemaal niet. Klaar.’
‘Is dit niet juist iets wat je heel persoonlijk moet bedoelen?’ mompelt Falko. ‘Ik dacht dat dat  jouw probleem was. Dat ik niet persoonlijk genoeg ben.’
‘Ja, klaar,’ herhaal ik met een stem die ik bijna niet herken. Ik loop hard weg richting huis – eerder marcheren dan rennen. Ik probeer niets te denken.

‘Jonna,’ roept Marthe zacht. Met dat accent van haar. Het duurt even voor ze me heeft ingehaald met haar buik. Ik minder geen vaart. ‘Jonna.’
Ik draai me wild om. Marthes hand valt van mijn schouder.
‘Zeg jij maar even helemaal niks!’ gooi ik eruit.
‘Tenzij je me iets wilt vertellen. Als je toevallig een naam voor me hebt.’
Dit leidt nergens heen. Ze kan er niks aan doen. Het is maar één iemands schuld. Dat weet ik. O, Marth Marth Marth. Maar soms kan ik het niet meer opbrengen. Wordt het me te veel.
‘Nee?’ zeg ik uiteindelijk.
Meer stilte.
Ik draai Marthe mijn rug toe. Het geluid van mijn langs elkaar schuivende rokken en benen.
‘Dat dus.’

Marthe haalt me opnieuw in en kijkt me aan. ‘Maar vind je hem leuk?’
Ik heb nog nooit op die manier over hem nagedacht. Dat laat ik niet toe.
Hij heeft wel wat, ja.
‘Wil je met hem trouwen?’
‘Kan ik met hem trouwen?’ vraag ik hard. ‘Is het Falko niet dan? Garandeer je mij dat?’
Marthe bijt op haar lip. Ze haalt haar handpalmen telkens open met haar nagels, sinds dit jaar.

‘Weet je dat je ons kapot maakt?’ roep ik. ‘Stuk.’
Zachter: ‘Dat maakt verder niet uit, ik ken wel ergere mensen om kapot door te gaan, maar je moet het je wel realiseren.
Als jij vindt dat je niets kunt zeggen, dan vertrouwen we je.
Maar dat doet iets, Marth. Met ons.’
‘Ik weet niet of dat helemaal eerlijk is,’ zegt Marthe aarzelend. En huilend.
Te veel, het is te veel. ‘Ik zei dat jij ook je kop moest houden! Een paar uur niets meer zeggen,’ schreeuw ik. ‘Ga weg. Hou jij maar even afstand. Echt waar.’
Marthe gehoorzaamt zo snel ze kan. Ze begint naar huis te lopen in een buiten adem tempo.

Ik knijp mijn vuisten dicht. Ik haat mezelf.
Ik heb haar verder beschadigd. En waarvoor? Wie probeer ik voor de gek te houden?
Ergens weet ik natuurlijk dat het Falko niet is.
Maar ik heb geen bewijzen.
Iedereen weet het van Alexanders meisjes, van al die bastaardkinderen die hij de wereld in slingert. Er lopen er best wat rond, met roodachtig haar of opvallend blauwe ogen of allebei, of alleen trekken in het gezicht. Van wie niemand officieel weet waar ze vandaan komen. Niemand zegt er wat over waar hij bij is, niemand waagt het, maar hij maakt er zelf geen geheim van. Het boeit hem niet, hij kan alles doen wat hij wil. Met ons doen wat hij wil.
En daarom twijfel ik. Want ik heb hem nooit met Marthe gezien.
Als hij het is, laat ik geen botsplinter van hem heel. Misschien weet hij dat. En raakt hij haar daarom nooit openlijk aan. Dwingt hij haar haar mond te houden.
Dus kan ik niks. Wij kunnen niks. En is er nog een heel klein kansje dat een van die andere klootzakken dit op zijn geweten heeft – er zijn er genoeg. Maar niemand zo erg als die ene.
O, Marth.

Ik ren door de plassen achter haar aan. Met lichte tegenzin, dat wel. Ik ben nog niet helemaal goed. Maar ik blijf ook nooit lang boos. Een moment later hang ik met een rechterarm om haar nek en doe alsof ik omval, hoofd op haar schouder, trek Marthe dan slap mee in mijn loop.
‘Wat heb jij op?’ vraagt Marthe. Wat heb jij gedronken?
Vind ik mezelf grappig? Soms.
Als ik zeg ik erger me snel, bedoel ik dan ook dat ik me aan mezelf erger? Aan één stuk door.
Ik zucht en kijk opzij. ‘Dat was inderdaad niet eerlijk.’ Ik zwalk lamlendig heen en weer. Ten slotte blijf ik staan tot Marthe wel moet terugkijken.
‘En zelfs ronduit gemeen,’ geef ik toe.
‘Maar je hebt mensen hè,’ – ademteug – ‘die niet altijd lief zijn. Die bestaan. Hele rare mensen zijn dat.’
‘Ik ben lang niet altijd –’ begint ze, maar ik schud mijn hoofd.
Ze is nooit chagrijnig. Nooit onredelijk. Nooit een verkeerd been uit bed. Reageert zich nooit af.
Wat ik al zei, het is hemeltergend.

Ik kijk op. ‘Hé, je hebt gelijk.’ Halve grijns. ‘Dat nooit niet-lieve maakt je soms eigenlijk onuitstaanbaar.
Marthe is onuitstaanbaar!’ schreeuw ik de lucht in.
Ik roep het nog een keer, met een gekke stem, als ons huis in zicht komt. Casper komt verstoord overeind, hij zat voor de deur. ‘Marthe is onuitstaanbaar!’
Marthe lacht voor zich uit en schudt haar hoofd als om het te legen.
Ik kijk haar zijdelings aan. ‘En dan zeg jij: zeg dat maar tegen –?’ Een laatste wanhopige poging om een naam. ‘Nee?
Nee, hè.
Nee.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.