Nasleep - Achtergrond

Ik ben Alexander.

Ik probeer niets goed te praten. Laat ik daarmee beginnen.

Wij trekken zwaarden tegen familie.

Op de burcht van Methen aan zee, waar ik ben geboren, slachtte iedereen elkaar af. Er was maar één kasteel – hoewel niemand iets in de weg stond om er meer te bouwen, denk ik nu wel eens – en te weinig, te arm land voor te veel mensen.

Mijn vader was de vijfde zoon van mijn grootvader, ooit de kasteelheer. Als hij niets deed, maakte hij dus nauwelijks kans op een erfenis die iets voorstelde. En zo dachten ze allemaal. En dus vochten ze. We. Mijn vader met zijn broers en mijn opa. Mijn broers – en ik – met mijn vader, met mijn ooms en neven en met elkaar. En dan had je nog de plunderaars van buitenaf. Uit Reyel. Uit de bergen. Uit het verdere noorden. Piraten. Allemaal op zoek naar iets beter land, een iets beter leven. En van binnenuit – muitende horigen en soldaten. Je was je leven niet zeker. Slapen was eigenlijk niet veilig.

Ik had vijf oudere, wettige broers en ik weet niet hoeveel onwettige. Net zoals ik niet weet hoeveel kinderen ik heb. Bij de getrouwde vrouwen weet je soms ook nog eens niet van wie het kind is. En ik had zussen – maar meisjes waren altijd al minder belangrijk. Meisjes waren zwak. Kregen kinderen en gingen dood – dat was het.

Mijn moeder was een jaar of twaalf toen ze mij kreeg. Ze was blond, met grijze ogen. En ze was mooi. Natuurlijk. Al werd ze in de jaren daarna te snel te oud. Ze was dienstmeisje op de burcht. Mijn vader gebruikte haar, en iedereen die daar verder trek in had.
Waar kennen we dat van?
Zo zat het. Als je iets wilde, moest je het grijpen. Anders deed iemand anders het wel voor je. Wreedheid was onze taal. Het was één bende.
Er was geen noemenswaardige ‘moraal’. We hadden wel een priester, maar hem nam niemand serieus.
Nogmaals. Dat is geen excuus. Het is een uitleg. Oorzaken. Aanleidingen. Patronen.
Mijn dochter kon me soms zo aankijken met zo’n gezicht van Hou je moeder voor de gek. Nee. Haar maakte je niks wijs. Daar. Ik heb het gezegd. Mijn dochter.
Haar dochter. Nooit onze dochter.

Van dat kind heb ik wel spijt. Dat had ik bijna gezegd. Maar daar was hij op aangeslagen. Dat weet ik zeker. Die jongen. Wat? Van haar wel? Van wie dan niet? En de rest dan? De rest? Ik herken dat. Bepaalde dingen die je zo blind razend maken. Hoewel ik zelden kwaad werd, al dacht iedereen dat – juist niet, ik deelde alleen straffen uit, werktuiglijk, ik voelde er niets bij.
Ik mocht niets over zijn moeder zeggen. Niets over zijn zussen. En terecht.

Je moeder. Mijn moeder haatte me. Godsamme, wat klinkt dat sneu. Maar het was zo. Ze moet mijn vader hebben gehaat, en daardoor mij ook. Of mij nog meer. Daarna kwamen er meer kinderen van meer mannen, maar ik was het begin. Dus stortte ze alles over mij uit. Of nee, dat klopt niet. Ze was ijs- en ijskoud. Ze schold juist niet; ze zweeg me dood. Ik bestond niet. Ik weet echt niet hoe ik de eerste paar jaar van mijn leven ben doorgekomen. Mijn moeder moet me toch gevoed hebben, of een andere vrouw die toevallig een kind en melk had, of iemand in de keuken die medelijden had.

Het kamertje van mijn moeder op het kasteel was heel klein. Het was koud en grijs. Er hingen lappen tussen het slaap- en leefgedeelte. Ze was er haast nooit, altijd aan het werk (en zwanger), en anders waren er vaak mannen. Mijn broertjes, zusjes en ik waren overal en nergens. Ik was meestal alleen.

Mijn vader liet me dopen. Hij gaf me een adellijke naam, een lange, trotse naam: Alexander. Daarna liet hij me weer vallen.

Ik kreeg de pokken toen ik elf was. Net als de rest van Methen in dat jaar. Er was en is af en toe een ziektegolf; pokken, pest. Soms alleen lokaal, soms in het hele rijk en daarbuiten. Toen wilde mijn moeder me definitief niet meer zien. Het hielp niet. Ze ging dood. Ik werd beter. Er bleven littekens achter over mijn hele lichaam, alleen niet op mijn gezicht en handen.

Toen merkte mijn vader me weer op. Misschien zag hij dat ik wat kon. Kon hij me gebruiken. Hij gaf me een paard, een zwaard en een strijdbijl en liet me meetrainen met mijn wettige broers – die op mij neerkeken – en de soldaten. Ik kreeg spieren. Hij zorgde dat ik leerde schrijven, lezen en boekhouden. Daar heb ik nooit veel aan gevonden. Ik kan niet lang stilzitten. Net als Anne. Mijn kind. Maar ik zag het nut er wel van in.

Ik leverde constant strijd met mijn vader. Met woorden, met blikken, maar vooral fysiek. Gesprekken hebben we nooit echt gevoerd. Mijn vader brak mijn hand op mijn zestiende. Niet in een gevecht. Maar heel rustig. Om me te leren wanneer ik mijn mond moest houden. Later heb ik hetzelfde gedaan met de vingers van mijn dochter, om ongeveer dezelfde reden. Het verschil: zij was vijf. Het ging steeds om macht. Om gelijk. En om uitdagen.

De vrouw van mijn vader was al langer dood; koorts. Mijn vader stierf twee jaar nadat mijn hand was geheeld. Ik was het niet. Het waren rovers uit de heuvels van Reyel. Drie van mijn broers en bijna al mijn ooms kwamen toen ook om of overleden later aan hun wonden. Ik zei het al, niemand zorgde voor elkaar bij ons. Als daar geen belang bij was.

Ik moet ophouden met dat we en ons. Dat is juist het hele punt met mij. Er is nooit een wij geweest. Ik heb nooit samengewerkt. Samengeleefd.

Eén oom stierf van ouderdom. De laatste oom en een aantal neven volgden bij een aanval van een nieuw plunderleger, uit het noordoosten dit keer. Mijn bastaardbroertjes – voor zover ik ze ken – gingen dood of trokken weg. Tegen de tijd dat ik twintig werd waren alleen mijn op één na oudste broer en ik nog over.

Het ging een tijd goed. Min of meer. Wilhelm deed het leger. Ik had organisatietalent en ontwikkelde dat verder. Ik moest wel – je moest verrekte hard lopen om dat land nog enigszins winstgevend te krijgen. Iedereen had de boeren altijd uitgeknepen, om die reden. (Hier zie ik Anne weer kijken. Moest?) Er was wat visserij. Er waren schapen. Het waaide continu, en hard. Er waren rotsen en stenen en er was veel zand. Het was niet veel soeps. Eigenlijk gek dat ik daar zo lang ben gebleven. En. Mijn familie, de generaties voor ons – dat er zo hard voor is gevochten. Voor zoiets. En toch. Er is daar een plek waar de zon twee keer ondergaat, achter een klif en later een stuk lager, in zee.

En toen. Mijn halfbroer en ik kregen ruzie. Ik weet niet eens meer waarover. Ik sloeg hem dood, met één bijlslag. Maar het had ook zo andersom kunnen zijn. (Toen wel. Toen was het speelveld wel gelijk, in tegenstelling tot later.) En de mensen pikten het niet. De lijfeigenen kwamen in opstand. Het was idioot. Eeuwenlang moordden de heren elkaar daar uit, en ineens was ik een moordenaar. Dat zij laks zijn geweest, betekent niet dat u vrijuit gaat. Ik denk nog wel eens aan haar, het meisje van Markenrode. Ze schijnt het aardig goed te doen. Hoe dan ook. Misschien roken ze hun kans; Methen was zwakker dan ooit. Nu is het niks meer. Ik ging weg. Ik was drieëntwintig.

Ik geef u de kans uzelf te blijven redden. Alweer Jorinde. Dat deed ik. Ik trok naar het zuiden. Ik deed ervaring op. Slavenopzichter hier, legercommandant daar. Nooit langer dan twee jaar. Ik vraag me af wie me heeft herkend toen ik veel later terugkwam om nieuwe slaven mee te nemen. Voor Markenrode. Ja, toen Markenrode.

Ik weet niet waarom ik me haar heb toegeëigend en haar heb genomen, elke keer dat ik zin in haar had. En al die anderen, wat dat aangaat.
Waarom kon je niet gewoon dingen zeggen? Had je niet… Waarom, waarom, waarom? Als een kind van twee. Hij denkt nog dat je de wereld kunt veranderen. Dingen kunt doorbreken. Ik denk dat niet meer. Of in elk geval. Het is mij niet gelukt. Ik weet niet wat dat zegt. Misschien heb ik het niet hard genoeg geprobeerd. Wilde ik het toch niet echt.

Ik weet niet waarom, en waarom op die manier. Behalve omdat ze zo ongelooflijk mooi was. Is. Met die enorme, diepzwarte ogen. Met haar zachte maar slanke, perfecte lichaam. Ze had een gigantische aantrekkingskracht op me – het allerlaatste wat ze wilde, ongetwijfeld. Ik kon niet van haar afblijven. Ik kon het niet helpen – nee, zo gaan we niet beginnen. Absoluut niet.
Omdat het makkelijk was. De weg van de minste weerstand. Makkelijker voor mij dan op iemand, op haar, afstappen en een praatje maken. Zoals mensen doen. Ze waren allemaal doods- en doodsbang voor me. Soms was ik ook bijna bang van mezelf.
Omdat ik controle over haar wilde hebben en geen last van haar vrienden. En ik meende wat ik tegen hem zei. Ze was beter af, de kinderen waren beter af met mij nog een beetje op afstand. Nee. Ik kon geen dingen zeggen. Ik wist niet wat ik had moeten zeggen en hoe. Onmacht.
Ze is grappig. Ik hoorde ze met elkaar praten, om elkaar lachen, die paar en alle horigen, maar ik kon daar niet bij komen. Ik heb dat nooit geleerd. En nee, ik zeg het opnieuw en opnieuw, dat pleit mij niet vrij.
En leeftijd – Ze was bijna twee keer zo klein als jij en drie keer zo jong, al zag ze er misschien niet zo uit. Ik heb wel geluisterd. Maar meisjes zijn volwassen als hun lijf dat is, toch? Zo dacht en denkt niet alleen ik. Dacht – ik stond er überhaupt nauwelijks bij stil.

Ik weet niet waarom mijn dochter nu dood is. Wilde ik niet dat ze me pap noemde? Niet op die toon. En niet op dat moment. Maar dat is ook geen antwoord. Een antwoord waarvoor zij haar neus zou ophalen. Of zou ze het begrijpen? Ze begreep veel.

Waarom zeg ik steeds hij en haar? Marthe. Floris. Anne. Ik ben hun namen niet vergeten. Ik denk aan ze. Maar het voelt alsof ik het recht niet heb ze bij hun naam te noemen.
Voelt.

Ik heb dit allemaal niet hardop gezegd. Dat had ik moeten doen op een moment dat het nog wat uitmaakte. Wat heeft het voor zin? Ik geloof echt dat het nu geen zin meer heeft.
Maar hij komt er wel. Zij komen er wel. Ondanks. Ondanks mij.
Eén ding dat ik goed heb gedaan. Ik heb prachtige kinderen gekregen.
En het spijt me. Het spijt me. Ja?
Het spijt me.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.