Nasleep - Achtergrond

Van 3 boeken naar 1 boek – hoe Nasleep ontstond

2006… tot 2019

Oké, dus dit boek begon in de brugklas, als een trilogie.

Deel 1

Deel 1 heet De tweeling van de roos en heb ik afgemaakt toen ik twaalf of dertien was. Het was zo cheesy als het klinkt. Het ging over de tweeling Gari en Yohani. (Inderdaad, veel tweelingen in dit verhaal.) (Die namen komen uit een tekst in mijn Engelse lesboek in de eerste. Yup. Yohani’s naam heb ik later veranderd in Zora, omdat minder historisch incorrect en meer Oost-Europees correct of zo.)

Ze waren de kinderen van een blonde edelsmid (Willem) uit de stad Waalre (later Emholt, want echte plaatsnaam in Brabant was toch niet zo’n slim idee) en een zigeunervrouw (Mariana). Drama drama, echte liefde, onverwoestbaar. Voordat de moeder als heks verbrand werd, liet ze haar kinderen een ketting in de vorm van een roos na (uhuh); allebei een helft.

Yohani en Gari werden door het noodlot gescheiden; Yohani kwam bij een lieve oude marskramer en zijn vrouw terecht, Gari werd gestolen door een slavenhandelaar en na een boel omzwervingen op zijn twaalfde verkocht aan Alexander (hé!). Alexander had toen nog geen naam, hij heette simpelweg ‘de opzichter’. Dat is heel lang zo gebleven; het heeft ook wel wat, lekker angstaanjagend. (Zelfs in Nasleep was het een tijd zo dat hij wel een naam had, maar dat niemand van de lijfeigenen die wist. Dat bleek logisch niet echt uit te leggen.) Verder was hij een stuk onschuldiger en eigenlijk belachelijker dan nu.

Hier komen we bij de pokkenepidemie en kinderroof door Alexander, vierentwintig jaar voor het ‘nu’ in Nasleep. Yohani, dan ook twaalf, wordt door Alexander ontvoerd uit haar dorp in Nisse (toen nog naamloos; pas een paar jaar geleden ben ik de plaatsen om praktische redenen namen gaan geven – zie hieronder, Over de setting). In de groep van honderden kinderen ontmoet ze – naast Gari – Jonne, Maria, Simon, Casper, Marthe (die toen Martien heette, omdat dat ooit in mijn taalboek in groep 4 stond?) en Jeroen, die terugkomen in Nasleep. Marthe is hier nog een vrolijk meisje van acht dat riddertje en jonkvrouwtje speelt met haar beste vriend Jeroen van zeven.

Ze komen bij elkaar in huis (hut) te wonen op Markenrode (dat dan dus nog niet zo heet), waar ze keihard moeten werken en met de zweep krijgen – dat kennen we. Verder lijkt het bijna een soort gezellig zomerkamp, met nieuwe vrienden en kampvuren, waar alleen en passant verschrikkelijke dingen gebeuren. Er is een ontroerend moment waarop broer en zus de ketting tevoorschijn halen en voortaan als tweeling door het leven gaan. Ze moeten wat verschillen overbruggen; Gari, die zijn hele leven slaaf is geweest, vindt Yohani maar verwend, zij hem maar ongevoelig. Wel bedenkt ze een ingenieus (maar bij dertien jaar later inzien vrij doorzichtig) plan om graan te stelen en onder de horigen te verdelen.

De opzichter randt Yohani aan (nog geen echte verkrachtingen in dit boek) en Gari redt haar uit zijn klauwen, Maria en Simon worden verliefd, het wordt winter, er is honger en het is koud. Marthe wordt door haar zus gedumpt bij de vriendengroep, omdat ze te veel zou eten. Er gaan mensen dood (Jeroentje!), alles wordt erger en erger en uiteindelijk staat Yohani’s pleegopa opeens op de stoep en volgt er een spectaculaire ontsnapping met wolven en achtervolgingen.

En ze leefden nog lang en gelukkig; ze komen terug in het dorp waar Yohani altijd heeft gewoond. Ze gaan met zijn allen eten bij Yohani’s beste vriendin Eva, een zus van Jeroen. Eva’s veel oudere nieuwe verloofde Willem is ook op bezoek, en verrek, hij herkent de kettingen van Gari en Yohani, want hij heeft ze zelf gemaakt! Hij blijkt hun vader te zijn. (Ik vond dit op dat moment niet creepy. ‘Dat waren de middeleeuwen nu eenmaal.’) (Laat dat even indalen.) (Ik had (toen al, en nu nog?) een voorliefde voor vergezochte, Dickensiaanse toevalligheden en familie-intriges.)

Epiloog: veertien jaar later (tien jaar voor het ‘nu’ in Nasleep). Casper, Jonne, Maria, Simon en de vijf kinderen vluchten van Markenrode en komen in het dorp van Yohani en Gari aan. Ik weet niet of ik toen Marthes tragedie al helemaal uitgedacht had; waarom zij met haar kinderen op het landgoed moet blijven. In elk geval is ze er niet bij. Gari (die bakker is geworden, want nooit meer honger) en Jonne hebben een blij weerzien en leven nog langer en nog gelukkiger samen.

Mijn jongste zusje heeft dit eerste deel gelezen toen zij twaalf was en vond het hartstikke leuk; een paar klasgenootjes van toen hebben het gelezen (mijn omslagontwerpster Emmie is nog steeds mijn trouwste fan!); ik heb het ooit met vreselijke achtergronden en lettertypes op een Piczo-website geplaatst (ja, ik word oud) en op basicpublishing.nl en een andere verhalensite waar ik toen heel actief mee was, en daar mag het lekker in de archieven blijven.

Ik ben ook ooit, twee jaar later of zo, aan een herschrijfoperatie begonnen, maar die is bij de proloog (de heksenverbranding) blijven steken. Het doel was: volwassener taalgebruik, een overtuigender plot, minder historische foutjes/eigentijdsheden, etcetera hoera. Het was ook onbegonnen werk. Toen heb ik ook bedacht dat Casper verliefd wordt op Yohani; Casper heeft blijkbaar helaas dezelfde smaak in meisjes als Alexander (en geef ze eens ongelijk), dus dat wordt wat (wordt vervolgd……….. – lees Nasleep!).

Toen was ik ook al associatief bezig met bijpassende muziek en alles (Brothers in arms van Dire Straits bij de dood van Jeroen, huilennnn….), en veel, veel tekeningen. Bijvoorbeeld als ik vastliep met schrijven. Ik gebruikte dit verhaal voor bijna al mijn tekenopdrachten op school; moesten we een perspectieftekening maken, tekende ik netjes volgens de regeltjes een vakwerkboerderijtje met zielige mensen met zweepwonden eromheen. Ik vraag me nu soms af wat mijn tekenleraar van me gedacht moet hebben.

Deel 2

Aan deel 2, werktitel Marijn naar de hoofdpersoon (duh), ben ik op mijn dertiende/veertiende begonnen. Het is uiteindelijk in een digitale la beland. Het verhaal speelt zich af acht jaar voor het ‘nu’ in Nasleep; het jaar dat alles gebeurt. Marijn (met een klein groot rolletje als Jorindes beste – en enige – vriendin in hoofdstuk 3 van Nasleep) is de dochter van Eva en de edelsmid Willem en dus het (zestien jaar jongere) halfzusje van Yohani en Gari. Marijn (de ik-persoon) is dertien en woont met haar ouders en drie broertjes in de stad Emholt.

Die familie ziet er dus zo uit:

Eva heeft prachtige rode krullen (net als haar hele familie) en Willem is blond, dus dat levert mooie combinaties op in de kinderen; Marijn en Laurens hebben rossig/roodblond haar (Marijn steil, Laurens krullen; bruine ogen en blauwe ogen), Jeroen blond, Daniël rood. Ik ben altijd geobsedeerd geweest door uiterlijke details, tja. Ik zat toen in de tweede of derde en had genetica bij biologie, dus ik heb eindeloos van die kruistabelletjes getekend. (Zo weet ik ook dat Marthe en Alexander kinderen zouden kunnen hebben met blond haar en donkere ogen, blond haar en blauwe ogen, etc. etc. etc.) Marijn haat het feit dat ze een meisje is. En dus o.a.:

  • niet mag werken als leerjongen in de edelsmidse van hun vader, zoals haar jongere broertje Jeroen(! Vernoemd naar…);
  • uitgehuwelijkt wordt;
  • het huishouden moet doen.

Ze komt regelmatig in opstand tegen haar ouders en verkleedt zich soms als jongen, waarbij ze één keer betrapt wordt door een bende pestkoppen en uitgelachen en achtervolgd wordt. Ze is gek op haar broertjes, vooral Laurens, die doof is. Het boek is eigenlijk haar dagboek (ook al kan ze als middenklassemeisje niet echt lezen en schrijven), waarin ze vertelt wat haar bezighoudt en scheldt op van alles en nog wat.

Op een dag ontmoet Marijn een verwende, weggelopen jonkvrouw: Jorinde, dan veertien. Jorinde is haar familie (ook) meer dan zat en ontsnapt via Marijn af en toe naar de wereld van ‘gewone’ mensen. Marijn neemt haar mee naar haar boomhut, haar rust- en nadenkplek buiten de stad. De twee worden beste vriendinnen, ondanks hun verschillende karakters en achtergronden (cliché! Maar oké).

Marijn heeft een goede band met Yohani, Gari, Jonne en de vriendengroep die van Markenrode is gevlucht. Ze komt vaak in dat dorp, omdat de grote familie van haar moeder Eva daar ook woont. Ze is nieuwsgierig naar Markenrode, ook omdat ze weet dat Marthe en haar kinderen daar nog zitten. Als Jorinde weer eens overstuur het kasteel van haar oom uit is gestormd, neemt ze Marijn mee naar het landgoed van haar vader. Door haar leert Jorinde een heel ander Markenrode kennen: dat van Alexanders regime. Hier hebben we de cruciale scène – flashback in Nasleep – waarin Jorinde en Marijn Floris vinden en hij zijn ouders samen ziet.

Er zijn nog wat romantische en andere verwikkelingen; een nichtje van Marijn komt helemaal naar de stad gelopen omdat haar man haar geslagen heeft, en Marijn wordt verliefd op Michiel (16), de zoon van Maria, en andersom. Ze accepteert langzaam maar zeker dat ze moet trouwen; als het met zo’n man is, prima dan. (Eigenlijk een hele verkeerde boodschap. MAAR GOED.)

Het boek eindigt met Jorinde die midden in de nacht in alle staten naar de boomhut van Marijn toe rijdt, waar haar vriendin haar vindt (ze is wel een beetje een opvangcentrum als ik het zo optyp). Markenrode is aangevallen door Raamsburgh, Jorindes vader en broer zijn dood. Marijn praat haar moed in en kijkt haar na als Jorinde haar toekomst tegemoet gaat. Het eerste voornemen van de gloednieuwe kasteelvrouwe: de opzichter van Markenrode af schoppen.

(Deze laatste scène zit jammer genoeg niet meer duidelijk in Nasleep. Het was moeilijk logisch te verantwoorden en werd een beetje ingewikkeld en veel info voor het begin van een boek – en het is al zo ingewikkeld. Jorinde stuurt alleen haar zusje Elise naar Emholt – als ze zelf was gegaan, had ze net zo goed Elise gelijk mee kunnen nemen.)

Deel 3 – Nasleep!

Deel 3 is het Nasleep geworden dat je nu misschien in je handen hebt. Het is het boek waarin alle verhaallijnen samenkomen, en daarom vond ik dit deel uiteindelijk het leukst om mee verder te gaan. Het is door al die voorgeschiedenis wel een wat ingewikkeld verhaal geworden, met een veelheid aan personages die een berg herinneringen en trauma’s meedragen. Maar hopelijk maakt dat het ook een (kleur)rijk boek.
(Ik had Marijn – en heel veel andere personen en gebeurtenissen uit deel 1 en 2 – ook wel weg kunnen laten uit Nasleep. Maar ze zijn me te dierbaar, ik kon er geen afscheid van nemen.)

Het heeft een tijd geduurd tot dit boek er lag. Tot mijn negentiende/twintigste heb ik eigenlijk geen letter op papier gekregen. Ik had een writer’s block en was bezig met school afmaken, studie kiezen, examenreis, beginnen met rechten, een leven opbouwen in Groningen, van die dingen. Wel was ik er in mijn hoofd steeds mee bezig.

Ik bedacht (het dorp van) Sophie, Simona en Line. Ik gaf Alexander een naam. Rosanne en Rebecca kregen vorm, net als het gezin van Rianna en Alwin. Ik verzon het verhaal van Susanna – en haar arme broer en vader. Ik zag voor me wat er met Anne is gebeurd – niet fijn. Ik stippelde Floris’ reis uit – en het einde ervan. Ik bedacht wat Marthe ondertussen doet thuis. En het kwam allemaal bij elkaar.

Tussen 2014 en 2019 schreef ik eerst een boel flashbacks, omdat ik nog niet toe was aan het echte boek en om dingen van me af te schrijven. Ik ben heel zintuiglijk ingesteld en zie, hoor en voel de dingen gebeuren in mijn hoofd, en het was soms best een worsteling om dat in tekst over te brengen. Ik hoop dat dat een beetje gelukt is. Ik schreef in het personeelshuisje tijdens mijn maand vakantiewerk bij een eetcafé op Ameland, met een vulpotlood in een collegeblok van de Spar op kampeervakantie in de bergen in Oostenrijk en gewoon thuis op mijn studentenkamer/in de UB terwijl ik eigenlijk aan mijn scriptie moest werken.

En nu ligt het er. Ik ben er blij mee. Ik hoop jullie ook.

Over de setting

Oké, dus oorspronkelijk had ik echt drie historische, middeleeuwse romans in mijn hoofd. De tweeling van de roos en Marijn spelen zich af in echte jaartallen in de eerste helft van de twaalfde eeuw (1108-1136). Ik had het allemaal uitgerekend, tot geboortejaren aan toe.

De locatieaanduidingen had ik expres vaag gehouden om fouten te voorkomen (geen plaatsnamen, behalve de stad Waalre), maar de bedoeling was wel dat het zich ongeveer in de Lage Landen (Nederland en België) zou afspelen. Ik heb nooit echte historische figuren en ware gebeurtenissen gebruikt in de boeken, ook al omdat fouten dan op de loer liggen en alles precies moet kloppen. Het ging toch vooral om de gewone, arme mensen.

Maar het bleek niet houdbaar om het allemaal 100% middeleeuws kloppend te krijgen. Ik kwam namelijk in de knup met 1) mijn creativiteit en 2) beperkte tijd en middelen om echt uitgebreide research te doen (begrijp me niet verkeerd, ik heb heel veel gelezen en onderzoek gedaan naar de middeleeuwen en probeer het wel zo realistisch mogelijk op te schrijven). Maar omdat ik op mijn twaalfde ben begonnen en toen nog niet zoveel benul had als nu, zijn bepaalde dingen gewoon zo in het verhaal. Ik heb geprobeerd een aantal namen te veranderen en nieuwe personages écht oude namen te geven (keesn.nl is daarvoor een gouden website), maar Marijn is Marijn. Jeroen is Jeroen. Jonne is Jonne.

En dat is prima. Vind ik. Ik wilde de vrijheid hebben om helemaal mijn eigen wereld te maken. Het idee is nog steeds dat het zo had kunnen gebeuren. Geen draken en elfen in dit boek, maar rauwe realiteit, voeten in de modder, open vuur en ongewassen haren en niet lullen maar poetsen. Maar het gebied bestaat niet echt. Het tijdperk wordt niet gespecificeerd. De feiten (gebruiken, het geloof, zelfs kleding en haar) kloppen niet (helemaal) met de middeleeuwen. En ik weet de ballen van landbouw, al heb ik mijn best gedaan. De personages zeggen en doen soms misschien ontzettend eenentwintigste-eeuwse dingen. Het gaat mij vooral om de sfeer. Om emotie. Om herkenbaarheid. En ik hoop dat dat overkomt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.